”Ik ben trots op je.” Ik fluister het.
Zo zachtjes dat alleen zij het kunnen horen. Ik fluister het niet tegen mijn man, of mijn eerstgeborene, maar tegen de tegels van de stoep.
Misschien horen ze me wel. Nee niet de tegels, ik ben niet helemaal gek.
De mensen, een diersoort die leerde om anderen te veroordelen en in hokjes te stoppen, als een manier om gevaar af te wenden en te overleven. Zodat ze ongedeerd terug konden keren naar hun holen, waar ze het vuur temden om de natuur de baas te zijn. Om de harde winters door te komen, ijs te smelten, en vlees te verschroeien. Ik vraag me af of ze toen ook al dachten aan het verbranden van een mens dat er anders uitzag, misschien bedreigende werktuigen bezat. Waarschijnlijk niet. Maar goed, ik dwaal af.
De mensen hier zijn de mijne. Niet op een bezitterige manier. Niet het patriarchale laten we alles wat we kunnen domineren exploiteren. Ik bedoel de mijne. Ze weten het niet. Ze kennen mij niet eens, maar dat hoeft niet. Ze zitten net als ik op 400 meter van waar ik geboren werd. In het Flevoziekenhuis. Mijn broer werd geboren in Amsterdam, die andere in Naarden. Maar niet ik. Ik werd een echte Almeerse. Geboren stipt om 14:00 in de middag. Al geloof ik niet dat dat mijn echte geboortetijd is. Wie komt er nou precies op het uur?
Oke terug naar het heden en de tegels. We hebben elkaar lang niet gezien. Toen ik hier 34 jaar geleden geboren werd was Almere nog net zo wild als in de tijd van holbewoners. Waar nu bakfiets vaders even pauze nemen en expats in kleurrijke sari’s een luchtje scheppen, overspoelden wilde vleesetende varens het landschap. Ergens verscholen in het rijke onvoorspelbare groen kon je wel een bankje vinden, als je wist waar je moest zoeken.
Je vond dan ook lege blikjes bier en energydrank, afgescheurde stukjes flu en zakjes waar illegale dingen in hadden gezeten. Een klein stukje platgetrapt gras naar de waterrand. Dit was het domein van de nacht. Als niemand meer zin had om buiten te zijn, dan lagen hier jongeren op hun rug naar de sterren te staren. Al dan niet met toestemming van het ouderlijk gezag.
Hier kon je vergeten wie je was, en dromen over wie je zou worden. De toekomst leek oneindig lang. En vooral die illusie. Dat op een dag, de toekomst af zou zijn.
Ik verliet het hier tien jaar geleden. Ik zwierf over de wereld. Ik zag de maan opkomen aan de kust van Nicaragua. Zocht Goden in de geparfumeerde tempels van Bali. Dook tot 40 meter diepte en langs scheepswrakken en werd wakker met enkel het geruis van de oceaan. Ik begon aan dagen zonder tijd. Keer op keer. Tot ik het verschil niet meer wist tussen vijf minuten en een uur. Ik las boeken op busstations en at onderweg snacks die ik niet kon plaatsen. De weg was eindeloos, met opvallend weinig stops voor de WC. En hij begon telkens weer opnieuw.
En nu ben ik weer terug. De toekomst is tegen alle verwachting in nog steeds niet af. De toekomst is pas af als je dood bent. En ik hoop bij God dat dat nog heel lang duurt.
Maar ik ben terug op de plek waar ik in de stilte, omringd door de wilde woestenij, op mijn rug lag en droomde over het zien van de wereld. Over het vinden van God in de ogen van vreemden. Over het kennen van de curve van de horizon, zoals alleen geliefden die kennen van elkaar. Ik deed waar ik van droomde, en kwam terug. Ik leerde te kijken naar de stenen, de stenen van mijn stad. En trots op ze te zijn. Ik kocht een huis, maar dat was niet compleet. Totdat het zich vulde met de lach van vrienden en familie. Ik leerde God ook vinden in de harten van bekenden. Van zij die naast je staan, bij elk begin en elk einde, en alles daartussenin. Ik leerde hand in hand dromen in plaats van in de eenzame nacht. Soms vraag ik me af of de stad zichzelf heeft verloochend. Of ze te makkelijk begaanbaar is geworden, te gemaakt. Van Jurassic Park naar Floriade-terrein. Van broodjes pita kaas bij snackbar Jerusalem naar een mocca chai latte ice koffie bij Ice & Co, en perfecte gladgestreken voorhoofden op vrijdagavond bij Le Barron. Als je niet kijkt gaat de tijd zomaar voorbij. Zelfs als je het verschil weet tussen een uur en vijf minuten. Maar als ik eerlijk ben: De stad groeide op, net als ik. Misschien wel, net op tijd. Ik fluister tegen de tegels van mijn stad: ‘‘Ik ben trots op je.’’ En heus, ik ben niet gek. Ik weet wel dat ik niet echt alleen tegen de tegels fluister. Ik fluister het ook een beetje, je weet wel, tegen mezelf.
Heel mooi geschreven. Ik ben trots op jou zoals jij op Almere bent. Of misschien nog wel een stukje meer ❤️