Hij wilde het niet weten. We wilden het allemaal niet weten. Hij zei: ”Hij ademt niet meer.” Niet: ”Hij is dood.”
Alsof de onbeslistheid in zijn stelling ons ruimte kon geven voor twijfel. Een maas in de wet van het lot. Een achterdeur, die we open konden laten staan. Ik geloofde het ook pas toen de schouwarts hem dood verklaarde. Nadat we al een uur naast zijn bed hadden gezeten. Mijn broer en ik. Onze vader is nu een sterrenvaarder. Hij laat achter: een dochter, twee zonen, een schoondochter, en twee kleinkinderen. De stappen die hij gezet heeft op de aarde, en de door ons gedane belofte dat we hem zullen herinneren. En uit eten zouden gaan op zijn verjaardag. Met zijn happy socks aan.
Ineens was de dood levensecht. En straks vergeten we het weer. Denken we dat de tijd onbeperkt is. Maken we ruzie alsof er altijd een morgen is, waarin we elkaar kunnen omhelzen. Dat wat op ons hart ligt kunnen zeggen, en onze dromen onbeschaamd kunnen volgen. Totdat ze naast ons bed staan. En zij het niet willen weten. Zoals wij het niet wilden weten. En de vraag is: ”Wat laten wij dan achter?”
Geef een reactie