De stem van Lady Gaga zingt over de wereld die eindigt, en met wie ze dan wil zijn.
Ik sta midden op het fietspad onder de lantaarns in de stromende regen en stel me even voor dat de Apocalyps onze stoep bereikt. Dat we met haastige spoed de straten vullen, wanhopig op zoek naar betekenis op het eind.
Met wie zou ik dan willen zijn?
Ik zie mezelf op de bank in een innige omhelzing met mijn naaste familie en voel wat ik denk dat Milan Kundera beschrijft in de laatste passage van De ondraaglijke lichtheid van het bestaan: “Het is voorbij, maar we zijn samen. En het is goed.”
Zo voelde het voor jou vast toen je ons appte vanuit het hospice: “Jullie moeten nu komen.” Eenmaal aan je bed verschenen, als een krans van ledematen en verwarde gevoelens, bij elkaar gehouden door draadjes hoop en de wil om elke seconde van je in ons op te nemen, zaten we bij je. “We hebben het wel mooi gehad samen toch?” vroeg je met trillende stem aan je kinderen. En we konden alleen maar beamen dat we het prachtig hadden gehad. Ik omhelsde je, en tegen beter weten in hoopte ik dat ik je beter kon toveren. Ik wenste dat ik een klein beetje feeënstof van de gordijnen van mijn jeugd kon vegen. Maar al voelde ik me weer een kind in je armen, de feeën kwamen niet.
Ik zag de verpleegster je vertellen dat morfine echt niets met je staat van bewustzijn zou doen. “Het is enkel een pijnstiller,” zei ze. Leugens aan zo’n beleerde man vertellen zou strafbaar moeten zijn.
Je keek haar aan en haalde je neus op. “Hmmm,” zei je.
Vervolgens belde je je tante in Canada en vertelde je: “Ze gaan me morfine geven, ik bel om afscheid te nemen.” Man van statuur. Je was te goed voor discussie. Je wist het gewoon beter.
Nog geen 24 uur later herkende je me niet meer. Je keek wazig en reageerde niet op mijn stem. De verpleegster vertelde me als zogenaamde troost dat je me nog wel kon horen. “Hmmm,” zei ik.
“Als hij me kan horen, maar niet meer reageert op wat ik zeg, dan registreert hij het toch niet, en is hij toch net zo goed weg?” zei ik met het donkere wat ik herken uit de blik van mijn moeder. Sorry pap, ik ben niet zoals jij. Ik heb de helft van ma in mij.
Jij en je tante, jullie wisten het al. Blijkbaar weten mensen die vaker dicht bij de rand van het oneindige hebben gestaan wat morfine betekent. Heel veel mensen weten dat, behalve hospiceverpleegsters.
Tranen vallen op het fietspad in Almere en vermengen zich met regen. Het licht van de lantaarns is altijd zo mooi op deze avonden, vind je niet pap? Alsof ze een spotlight zijn voor de druppels. Ik hoef niet meer hardop te praten. Waar jij bent hoor je me, ook al praat ik in mijn hoofd.
Ik huil onder het licht van de lantaarns weer zoals ik huilde toen je net gegaan was en de tranen op onverwachte momenten kwamen. Zonder reserveringen, maar zachtjes, ontspannen. Geen terughoudendheid in het lichaam, geen spiertje verzet, als een hele, héle lange uitademing.
Huilen met reserveringen is voor verdriet wat je niet wil erkennen. Voor het snikken wat je weg wil slikken tot het zich verstikkend ophoopt in de aderen van je geluk. Ze wonen achter de deurtjes die je zo hard dicht hebt gedaan dat ze een dam zijn geworden om je eigen water binnen te houden. Zandzakken voor de stroming van je hart. Geen meanderende rivieren die terugkeren naar de bron. Geen ogen die overlopen en het zout van de zee waar we vandaan kwamen vertalen naar strepen op je wangen, je lippen, je handen, de grond.
Maar verdriet om jou is altijd welkom. Ze kiest het beste tafeltje aan het raam zonder te vragen, en ik laat haar. Ze vertelt me verhalen over jou, in geuren en kleuren, met vlagen.
En ik huil omdat het pijn doet,
en dan nog een beetje.
Omdat zelfs dat zo mooi is.
Geef een reactie